Bel of mail

Of stel je vraag in het formulier hiernaast.

T: 06 105 66 980

M: erik@funup.nl

120 Frederik Hendrikstraat
Amsterdam, NH, 1052
Netherlands

06 105 66 980

Blog

Als de geest verdwijnt, komen de spoken

Erik Groenenboom

Europese lessen van grootschalige leegstand in krimpregio's (bewerking van artikel op Gebiedsontwikkeling.nu)

Het kan flink spoken in Nederland. Op plekken waar geen levende ziel meer is te vinden, maar waar wel gebouwen zijn achtergelaten. Op 'Ruimteverkenning' door Nederland zag ik een 'spookstraat' in Kerkrade-West, een rijtje huizen wachtend op sloop. Ik zag een 'spookwinkelcentrum' midden in Almelo, waar de passage nog open was, maar enkel voor passanten. De winkels eromheen waren op slot en stonden leeg.

'Spookgebouwen' kent iedereen. Leeg en wachtend op een nieuw leven of een snelle dood. Soms werk ik zelf mee aan een mogelijke herontwikkeling. Maar meestal verzet ook ik mijn zinnen naar een 'kansrijker' project. Er is bij betrokken partijen vaak genoeg bereidheid, maar niet genoeg investeringsbereidheid. Genoeg creativiteit, maar niet genoeg commercialiteit. En vooral: Er is genoeg ruimte, maar er zijn niet genoeg mensen om er te wonen, werken, winkelen of recreëren. En dan moet de echte bevolkingskrimp in Nederland nog komen.

Op het Ruimtekoers festival in Arnhem hoorde ik Rudy Stroink zeggen dat we moeten stoppen met 'leuke incidenten'. Tegen al die leegstand is niet op te experimenteren. Met name in krimpregio's zal het steeds meer gaan spoken. Opgeheven scholen, verlaten winkelstraten, achtergelaten bedrijventerreinen, misschien zelfs onbewoonde wijken. Ons richten op bevolkingsaanwas, dat zal niet lukken. Ons richten op sloop, dat zal veel te duur zijn. Ons richten op herbestemming, dat zal niet genoeg zijn. Er is te veel. Het is te veel.

Limburgse 'Spookstraat'. Maar sloop is duur en herbestemming niet altijd mogelijk.

Limburgse 'Spookstraat'. Maar sloop is duur en herbestemming niet altijd mogelijk.

Misschien moet 'nonbestemming' vaker als scenario worden meegenomen, naast sloop en herbestemming. Waar herbestemming geen garantie is voor herontwikkeling, is nonbestemming ook geen garantie voor nonontwikkeling. We verwachten niets, maar er kan veel ontstaan.

De onvermijdelijkheid van spookdorpen

Wat we in Nederland niet hebben, zijn spooksteden of spookdorpen. Als er in het verleden een dorp leeg kwam te staan, dan werd het direct gesloopt. Het lot van een dorp als Moerdijk is nog niet zeker, maar spookdorp zal het niet worden. Blijft het bestaan of wordt het dorp alsnog geslachtofferd voor de groeiende haven van Rotterdam? Ganzedijk in 'krimpregio' Noordoost Groningen is voorlopig 'gered', mede omdat de bewoners hier zelf zijn opgestaan tegen sluimerende sloopambities. Maar is er een Ganzedijk over 20 jaar?

Zijn er over 20 jaar spookdorpen in Nederland? Kijken in de toekomst kan niet, maar een blik op Europa werpen kan wel. Daar zijn regio's die al decennia krimp meemaken. En daar staan gewoon leegstaande dorpen. En het zijn er niet een paar. Frankrijk, Spanje, Italië, Bulgarije, Hongarije... al deze landen kampen met tientallen tot honderden spookdorpen. Soms wordt er van alles gedaan om de bevolking weer te laten groeien, in Spanje bood de burgemeester nieuwe bewoners zelfs een baan aan. Maar meestal gebeurt het onvermijdelijke, het dorp wordt verlaten.

Voor mij reden genoeg om er een reis, een blog en serie publicaties aan te wijden. Enkele spookdorpen zijn 'herbestemd', maar de meeste zijn in feite 'nonbestemd'. De vraag is hoe dat uitpakt. Is het ene dorpje zijn dood, het ander dorpje zijn brood? Of nemen de spoken in die regio's alles over? Eerst maar kijken naar de mogelijkheden van herbestemming.

Herbestemming

Herbestemming heeft inmiddels, terecht, de volle aandacht in Nederland. En het is logisch ook voor de vele leegstaande dorpen open te staan voor herbestemming. Er zijn al interessante voorbeelden, en wat mij betreft komen er nog meer bij. Er is zoveel te ontdekken en te ondernemen!

Het Hongaarse Bedepuszta bijvoorbeeld, waar Nederlander Elroy Thummler één voor één huizen heeft opgekocht van zigeuners. Zigeuners die de huizen hadden gekraakt, nadat de oorspronkelijke bewoners waren vertrokken. Thummler knapt er huizen op, bouwt een camping en organiseert festivals. Om zo een plek te creëren waar artistiekelingen kunnen verblijven en creëren.

Creatieve geesten blazen beetje bij beetje nieuw leven in Bedepuszta, Hongarije

Creatieve geesten blazen beetje bij beetje nieuw leven in Bedepuszta, Hongarije

Dichterbij kennen we Ruigoord bij Amsterdam en Doel bij België, waar kunstenaars nieuw leven hebben proberen te blazen in een door oorspronkelijke bewoners verlaten dorp. Iets wat overigens bij Ruigoord beter is gelukt dan bij Doel, dat nog altijd met sloop bedreigd wordt.

In Frankrijk heeft de Nederlandse Marjorie Schreuder een gehucht gekocht en ontwikkeld tot een plek “voor bruiloften, dans, muziek, retraites, reunies, vakanties, workshops, yoga....” (bron: Ferme les Costes). Het Italiaanse Pentolina is door het Zwitsere Hapimag omgetoverd tot een luxe resort waar gasten kunnen genieten van “de moderne ambiance in de historische gebouwen, die ooit toebehoorden aan graaf Scroffa.” In Hongarije biedt een burgemeester zijn dorp te huur aan. In Spanje en Bulgarije bieden makelaars hele dorpen te koop aan.

Maar ook als je er niet de nacht kan doorbrengen, zijn spookdorpen interessante toeristische bestemmingen voor dagjesmensen. Enkele van de spookorpen die ik deze zomer ga bezoeken, zijn voor dagjesmensen al interessante bestemmingen. Verder weg, in Japan, heeft een kunstenares het gemis aan mensen proberen op te vullen met lappen poppen. Zoiets zou in Europa ook een bezoekje waard zijn toch?

En dan zijn er nog talloze spookdorpen, idyllisch gelegen, die er om schreeuwen herontdekt te worden. Herontdekt en herontwikkeld. Voor avonturiers, toeristen en gepensioneerden. Als nieuwe verblijfsplek, als nieuwe woonplek. Maar ook als filmlocatie, militaire oefenlocatie of pretpark.

Het idyllisch gelegen Duitse spookdorp Wustrow schreeuwt om herontwikkeling

Het idyllisch gelegen Duitse spookdorp Wustrow schreeuwt om herontwikkeling

Nonbestemming

Toch ben ik ook benieuwd naar de plekken waar het niet tot herbestemming is gekomen. Plekken waarbij herbestemming niet zo 1,2,3 meer mogelijk is. Hoe is het zover gekomen dat die dorpen zijn leeggelopen? Zijn ze ontruimd of is er een andere overheidsprikkel geweest? Of zijn ze gewoon verlaten? Zijn de laatste bewoners gestorven?

Uiteraard bezoek ik ook dorpen die na oorlog, storm of overstroming zijn achtergelaten (zie bijvoorbeeld het artikel over Great Blasket Island) of actief ontruimd zijn om ruimte te maken voor industrie en natuur (Zie 'Bardowiek is niet meer' of 'Verdronken dorpen en verdwaalde torens'). Maar dorpen die zijn 'leeggelopen' en waar vervolgens al decennia geen nieuwe bestemming is gekomen, hebben mijn bijzondere interesse.

Is de leegloop van het ene dorp de redding van het andere? Is er gemeenschapsgeld gespaard dat nu aan betere doelen besteed kon worden? Is de geest uit het dorp verdwenen, maar wel in de regio gebleven in de vorm van werkgelegenheid, voorzieningen, jonge mensen die er blijven wonen? Of nemen de spoken het in die regio's alsnog dorpje voor dorpje over? Kan 'nonbestemming' iets waardevols opleveren, ook in Nederland?

In Bulgarije is na decennia van leegloop 'nonbestemming' de dagelijkse praktijk

In Bulgarije is na decennia van leegloop 'nonbestemming' de dagelijkse praktijk

Van spookdorpen in krimpregio's in Europa kunnen we leren. Zelfs als dorpen met noodingrepen in Nederland bewoond blijven, kunnen en moeten we naar het buitenland kijken voor lessen welke betekenis herbestemming en nonbestemming hebben voor een plek en het gebied er omheen. Deze zomer ga ik op reis en op onderzoek en ik daag iedereen uit mee te denken en mee te beleven. Maar ga vooral zelf ook op verkenning uit. Op zoek naar de geest van een plek, of de spoken die zijn achtergebleven.

Belevenissen zijn de hele zomer te volgen op spookdorpen.nl, inclusief de lessen voor Nederlandse beleidsmakers en avontuurlijke leegstandspioniers.

http://spookdorpen.nl

Twitter: @spookdorpen

Facebook.com/spookdorpen

Willen de echte Plaatsmakers nu opstaan?

Erik Groenenboom

deze blog komt van de website van de Plaatsmakers, maar is daar helaas nog niet goed zichtbaar.

Hoe plaats te maken? Met horeca, leisure en zowel buurtfuncties als grotere publiekstrekkers. In deze blog wordt een aantal echte 'plaatsmakers' op een voetstuk geplaatst, maar uiteraard gaat het om de beweging er omheen en alle initiatiefnemers die meedoen in een straat, wijk, dorp of stad.  - door Erik Groenenboom

Eigenlijk is deze blog een laatste deel van een drieluik. De eerste twee blogs stonden op mijn website (Funup). In het eerste deel maakte ik voor mezelf plaats voor iets nieuws. Door oude schepen te verbranden. In het tweede deel ging ik verder in op placemaking. Met de conclusie dat 'plaatsmaken' zelfs nog meer betekenis heeft dan het al rijke begrip 'placemaking'.

In feite probeer ik al een decennium plekken via beleving betekenis te geven. Maar zelden alleen, een 'plaatsmaker' moet zich er vooral van bewust zijn dat er velen zijn die een plek doen opleven. Planners, ontwikkelaars.... maar vooral bewoners, ondernemers... en natuurlijk hun klanten. Als het goed gaat met een plek zijn er vele plaatsmakers. Maar als het nog niet zo ver is.... willen de echte plaatsmakers nu opstaan? Ongetwijfeld een vraag die ook ligt te branden bij veel gemeenten.

Nu ben ik deel van een collectief dat zich zowaar De PlaatsMakers noemt. Met HoofdLetters! Dat belooft wat. Maar ik geloof oprecht dat we niet arrogant zeggen dat wij de nieuwe placemakers zijn. Nee, hoewel onze waarde ook wel degelijk zit in het feit dat we niet alleen zullen onderzoeken en adviseren, maar ook risico zullen nemen en ondernemerschap tonen, is de tweede betekenis van plaats maken zo nog belangrijker. Plaats Maken voor anderen.

Direct ga ik dan ook in op een aantal ultieme voorbeelden van plaatsmakers. Ondernemers die toen nog niemand heil zag in de plek het aan hebben gedurfd een iniatief te nemen waardoor een balletje ging rollen. Maar eerst even kijken hoe ik het door de jaren heb aangepakt. Immers sinds mijn studie planologie ben ik ook al met 'placemaking' bezig (zie ook mijn funup-blog).

Ik heb

- talloze malen advies geleverd en projecten gemanaged op het gebied van stedelijke ontwikkeling (oa Visie Zuidas en andere stedenbouwkundige en planologische plannen: De traditionele betekenis van placemaking in ultima forma, de planners en ontwikkelaars bepalen)

- vele games georganiseerd, gefaciliteerd en meegespeeld, waarbij buurtbewoners aan bod kwamen en gelijk met hun dromen aan de slag konden (oa Oasis Game)

- buurtfestivals, -feesten, -activiteiten georganiseerd in leegstaande gebouwen (oa Zaandam)

- bewoners en andere betrokken bevraagd en aangejaagd in hun ideeën (oa Veghel, Alphen aan den Rijn, Utrecht)

- zelf plekken ingenomen om er een speelse omgeving te creëren (HONK voor Spelende Mensen en Lasercity Amsterdam), samen met lokale culturele instanties en horeca.

- als stadsbewoner en reiziger meegedaan in allerlei iniatieven van anderen, nieuwe plekken bezocht en, als het maar even kon, geconsumeerd wat werd aangeboden.

Speldenprikken als het gaat om plaats maken, maar voor mijn gevoel wel wezenlijker dan plaats pogen te maken op papier of computer, vanuit een kantoorgebouw elders. Het eerste voorbeeld dat ik noemde lijkt ook die afstand te impliceren, maar de bij de Zuidas betrokken managers en consultants daadwerkelijk midden op de Zuidas hun werkplek hebben. En dat helpt toch bij het mee maken van plaatsen.

Dan de inspirerende voorbeelden. Twee substantiële plaatsmakers zijn dit jaar zowaar genomineerd voor de eervolle titel 'Amsterdammer van het Jaar' (Parool), normaal gesproken bestemd voor mensen die armoede bestrijden of voor mensen die levens hebben gered. Mensen die begaan zijn met stad, mens en maatschappij in het heden, maar niet zozeer met stadsontwikkeling of 'placemaking'. Nee dan deze genomineerden.

De Drie Wijzen uit het Oosten worden ze genoemd. Horeca-ondernemers pur sang. Hun steevast volle en bruisende café's zijn niet bedoeld voor alle lagen van de bevolking. Althans, die komen er dan in ieder geval niet. Nee er komen yuppen, yuppen en nog eens yuppen. Met wel wat te besteden. Alleen die café's (bijna allemaal in Amsterdam-Oost) bevinden zich wel op pleintjes en plekken die daarvoor nog allesbehalve 'hip' waren. Op achteraf pleintjes, zoals het Beukenplein en Krugerplein. Tussen de kebabzaak en het oude bruine rokerscafé. Er is nu zelfs een zaak onder een grote lelijke parkeergarage. De zaken zitten altijd vol, trekken dus meerdere ondernemers aan, trekken vervolgens publieke investeringen in de openbare ruimte aan, trekken tot slot meerdere yuppen aan die er willen wonen. Met gentrification tot gevolg. Nu dus plots leuke 'gemende wijken'. Natuurlijk zitten daar op langere termijn in de context van de stad ook nadelen aan (verdrijving lagere inkomens), maar je moet toegeven, deze commerciële ondernemers zijn plaatsmakers pur sang gebleken. Oost is the place to be! Of?

Foodhallen in De Hallen Amsterdam, waar 'plaatsmaker' Andre van Stigt andere plaatsmakers een kans heeft gegeven. Credit foto zie onderaan blog.

Foodhallen in De Hallen Amsterdam, waar 'plaatsmaker' Andre van Stigt andere plaatsmakers een kans heeft gegeven. Credit foto zie onderaan blog.

Architect Andre van Stigt knapt al decennia oude kerkjes op en vult ze waar het kan met buurtfuncties. Maar de oude tramremise in West, dat was toch een andere schaal. West, dat tot Oost op kwam, toch de hippe buurt moest worden. André de architect en André de man van de buurt (de ontwikkeling van de tramremise gebeurde in een heuse buurtmaatschappij) waren al goede placemakers. Maar door ook nog eens 'plaats te maken' voor anderen met ideeën is André wellicht niet de Amsterdammer van het jaar 2014, maar dan toch zeker de Plaatsmaker. Het complex 'De Hallen' is dit jaar open gegaan. Prachtig gebouw, middenin de buurt, gekoppeld aan de volkse markt. Met 'hippe' en commerciële functies als een bioscoop, restaurant, een hotel en de geweldige bruisende 'Foodhallen' (die in 1 klap goed maken waarin Oost voor liep op West). Maar ook met maatschappelijke functies als een bibliotheek, werkplekken voor jongeren die een vak willen leren et cetera. West is the place to be!

Horeca, leisure en functies voor zowel de buurt, als voor een grotere doelgroep (stad, regio, toeristen). Zo maak je plaatsen. In de twee voorbeelden hierboven worden vier mensen op een voetstuk geplaatst, maar uiteraard gaat het om de beweging er omheen en alle iniatiatiefnemers die mee doen in een straat, wijk, dorp of stad. 

Zelf wil ik er de mensen van Roest aan toevoegen, de culturele vrijplaats waar ik een jaar mee heb samengewerkt toen mijn eigen zaak in de Van Gendthallen was gevestigd. Ze waren vrijwel de eerste in een daarvoor kansloos gebied, runnen er nu al jaren een bruisende horecazaak, organiseren van alles op cultureel gebied, maar bieden ook ruimte aan beginnende ondernemers om hun waar te verkopen of een optreden te geven. Of aan buurtbewoners om een moestuintje aan te leggen. Door de aanwezigheid van Roest kon ook ik mijn zaak een stap verder brengen. En zo weer zelf de plaats mee maken.

Zij (en vele anderen) zijn anno 2015 de plaatsmakers van Amsterdam. Voordat ik ook zo'n invloedrijke plaatsmaker ben, wil ik met de andere PlaatsMakers uit ons nieuwe collectief een bijdrage leveren om in heel het land gemeenten, corporaties en ontwikkelaars eveneens in staat te stellen 'plaats' te maken. Voor andere echte plaatsmakers, degenen die een idee hebben voor een plek en dat idee uitvoeren. Dus zullen we ook als PlaatsMakers nog vaak de vraag stellen:

"Willen de echte plaatsmakers nu opstaan?" Met of zonder hoofdletters.

 

Blog van PlaatsMaker Erik Groenenboom

photo credit: <ahref="https://www.flickr.com/photos/franklinheijnen/15752592842/">amsfrank</a> via <a href="http://photopin.com">photopin</a> <a href="http://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.0/">cc</a>

Maak Plaats! (2)

Erik Groenenboom

Ik maak plaats voor de Plaatsmakers!

Zeven individuen met andere achtergronden, maar met een zelfde passie om plaats te maken. Mijn passie is er al zeven jaar en uit zich via de projecten en initiatieven van Funup.

Alleen met De Plaatsmakers ga ik eindelijk weer aan de slag in teamverband. Met zes professionals die dezelfde passie hebben, maar door andere achtergronden andere accenten zullen leggen. Zelf was ik de laatste jaren wel erg de aanjager, de ondernemer, de man van horeca, evenementen, leisure en games. Maar wat minder de onderzoeker. Wat minder de projectmanager. Wat minder de ruimtelijk professional. Die kanten zullen weer bovendrijven, maar andere Plaatsmakers kunnen hier nog meer in kunnen betekenen. En dan zijn er nog collega's die architectonisch en bouwkundig kunnen adviseren , die marketingstrategieën kunnen uitzetten, die plannen mooi kunnen verbeelden. Door de uiteenlopende kennis, ervaring en ideeën, moet er wel iets moois ontstaan.

Op de website valt te lezen hoe we te werk zullen gaan. Realiserende dat vooral de projecten die we gaan uitvoeren ons visitekaartje zullen worden. In deze blog som ik alvast op hoe ik op basis van studie en bijna 10 jaar ervaring aan ben gaan kijken tegen 'plaats maken'.

Placemaking in theorie en praktijk

Placemaking was uiteraard een belangrijke term in mijn studies 'Sociale Geografie & Planologie' en 'Stedenbouw en Ruimtelijk Ordening'. De studieboeken gebruikten de term met name om uit te leggen waarvoor sociaal geografen, planologen, stedenbouwers en ruimtelijke ordenaars op aarde zijn. Zij zijn het die plaatsen maken en 'placemaking' (of het gebrek daaraan) kan een plek maken of breken.

Tegen het eind van mijn studie, met name onder invloed van Richard Florida, was er al wel een duidelijk geluid te horen dat creatieve geesten en vooruit, ondernemers als kappers en cafebazen, van groot belang zijn in het proces van placemaking. 'Maar', dachten alle planners toen, 'wij zijn het toch zeker die plekken en buurten geschikt gaan maken voor die creatieve klasse'. Is het niet met lijntjes trekken op kaarten, dan wel met andere beleidsmaatregelen.

Eenmaal in het veld leek de grootste macht om plaatsen te maken niet bij gemeenten en hun planners, maar bij multinationals en ontwikkelaars en woningcorporaties (hun ontwikkelingstakken) te liggen. Zij merkten trends op bij grote bedrijven en (woon)consumenten, verzonnen er grote plannen bij en legden er ook geld bij de plannen uit te voeren. Het grootste project waar ik als adviseur/manager aan heb gewerkt in die beginjaren, de Zuidas, was hét voorbeeld hiervan. Niet de gemeente (die een locatie aan het IJ wilde), maar de multinationals en ontwikkelaars bepaalden waar zij kantoren gingen bouwen. En zij waren het ook die van dit zakendistrict een leuke (luxe) woonwijk wilden maken.

Maar goed, of nu gemeente of private partij de macht had (bij Zuidas was er even sprake van 'publiek-private samenwerking'), het bleef allemaal erg 'top-down'. Bij bij de binnenstedelijke leuke 'places' waar Richard Florida het over had, zoals de Pijp in Amsterdam, streken corporaties en gemeente met de eer. Een beleid gericht op grotere woningen en meer ruimte voor café's.

Maar... was dit beleid niet juist een reactie op wat al eerder gaande was?

Het duurde niet lang voordat ik me realiseerde dat de eerste stappen voor 'placemaking' nooit door plannenmakers in dienst van overheid of ontwikkelaars worden gezet. En dat dat ook helemaal niet de bedoeling moet zijn. Hoe kan een planoloog nu bepalen waar een café moet komen? Waar een kunstenaar moet gaan wonen? Waar een inwoner een buurtinitiatief moet starten? En als de planoloog (of iemand) dat al kan bepalen, waarom zou ie dat willen?

Funup als reactie op rapporten-planologie

Met Funup trachtte ik al voor de vastgoedcrisis de gemeenten, corporaties en ontwikkelaars te helpen in een vroege fase in te spelen op ideeën en initiatieven uit de buurt zelf. Die zelfde vastgoedcrisis en hieruit voortkomende economische crisis leken langzaam maar zeker voor een kentering te zorgen in het denken over 'placemaking'. Dit mede gevoed door (Oost-Europese) steden waar het al langer economisch slecht ging maar waar, buiten alle plannen en vastgoedprojecten om, toch leuke buurten waren ontstaan. 'Nieuwe' ontwikkelaars als TCN en Lingotto volgden een duidelijk andere koers dan traditionele ontwikkelaars, ze vestigden zich zelf in de buurt en betrokken de buurt (veelal bedrijven) bij nieuwe plannen.

Bij gemeenten en corporaties was het proces ingewikkelder, het maken van omvangrijke plannen en rapporten zit daar veel dieper in de genen. Waar ontwikkelaars terug moesten naar de kern van ondernemerschap en op een gegeven moment wel móesten luisteren naar hun klanten (bewoners en ondernemers), daar distantieerden gemeenten en corporaties zich juist van ondernemende praktijken. Het was immers 'ondernemerschap' waardoor gemeenten en corporaties veel geld waren verloren. Ze hadden grondposities  verworven en in de boeken gezet, die al snel flink minder waard bleken te zijn. Gemeenten en corporaties moesten alle zeilen bijzetten om hun 'kerntaken' te kunnen blijven uitvoeren. Experimenten waren zelfs een paar jaar terug nog redelijk uit den boze. Jonge (creatieve) ambtenaren waren 'last in', dus gingen 'first out'. Of vertrokken zelf. Met de ambtenaren die overbleven was het voor creatieve initiatiefnemers moeilijk praten. Zelfs het 'broedplaatsenbeleid' begon met subsidies en regels. 'Richard Florida had het over kunstenaars? Dan subsidiëren we kunstenaars.'

Gemeenten negeerden lange tijd bewoners en ondernemers met creatieve ideeën buiten het hokje 'kunst'. Natuurlijk was het voor die mensen ook niet makkelijk iets te ondernemen in de crisis. Een ambtenaar van de gemeente Amsterdam zei mij ooit: "We hebben allemaal plekken aangewezen waar leuke tijdelijke dingetjes kunnen ontstaan, maar niemand onderneemt iets". Ik had kritiek op deze nieuwe vorm van 'tijdelijkheids'-planologie (omdat er weer werd gesteld dat de gemeente eerst plannen maakt en dan de burgers wel volgen), maar begreep wel zijn zorgen. Bottom-up ontwikkeling en kun je niet afdwingen. Placemaking kun je niet afdwingen.

Plaatsmaken anno 2015

Pas nu, nu de stofwolken van de crisis aan het verdwijnen zijn, blijkt er een totaal andere orde te zijn ontstaan. Beloftevolle bankiers die ervoor hebben gekozen het roer om te gooien en een koffiesalon of brouwerij te beginnen. Aan hun wijk verslingerde bewoners, wellicht tijdelijk met wat meer tijd (werkloos), die ervoor hebben gekozen een leegstaande school nieuw leven in te blazen met activiteiten voor de buurt en commercieel verhuurbare werk- en vergaderplekken. Culturele pioniers, die leegstaande bedrijfskantines sprankelende poppodia zagen en hun dromen door hebben gezet.

En ga zo maar door. De gemeente had het nakijken, maar ging er beetje bij beetje in mee. Corporaties en ontwikkelaars gaan er beetje bij beetje in mee. 'Placemaking' wordt steeds meer plaats maken voor mensen die al lang een idee hebben.

In De Plaatsmakers heeft Plaatsmaken twee betekenissen. 'Placemaking' is de eerste. Maar we moeten daarin niet dezelfde fout maken als de planners van de jaren negentig en zeroes (toegegeven, in de 20e eeuw is planologie in Nederland wel degelijk relevant gebleken, kijk maar naar de vele 'geplande' polders en wijken), we moeten niet denken dat wij het zijn die de plaatsen maken. Nee, veel belangrijker is de tweede betekenis van plaats maken voor locals met ideeën in de kop, met dromen in het hart, met hart voor de buurt, met zout in de reet.

En laat nou het bijzondere zijn dat wij wel degelijk mee willen helpen bottom-up plaatsen te 'maken'. Ikzelf ben daar praktijkvoorbeeld van. De laatste twee jaar heb ik twee keer een leegstaand pand als huur betalende ondernemer omgetoverd tot een plek waar buurtbewoners en zelfs mensen uit de wijde omgeving op af kwamen (voor een spelletje lasergame, voor een feestje, voor een bedrijfsuitje, voor een lokale markt). Zo voelde ik me pas echt Placemaker. Maar net zo lief laat ik het initiatief aan anderen.

Plaatsmaken? Graag.